Schuldgevoel en hoe cultuur ernaar kijkt
Voor veel mensen blijft dat schuldgevoel voortdurend op de achtergrond aanwezig, en het steekt steeds weer de kop op bij gelegenheden die meestal als familieaangelegenheden gelden. Vergelijken met anderen die vaak naar huis gaan en daar plezier in lijken te hebben, versterkt die gevoelens vaak. Cultureel gezien wordt vaak aangenomen dat volwassenen die hun ouders zelden zien ondankbaar zijn, maar die veronderstelling is vaak te simpel en komt niet altijd overeen met de werkelijkheid.
Er is ook een alternatieve uitleg: de afstand die we nu zien is vaak geen teken van ondankbaarheid, maar een herhaling van het liefdesmodel dat deze volwassenen in hun jeugd hebben meegekregen. Zij laten hun genegenheid blijken door te zorgen voor praktische zaken, niet door emotionele nabijheid.
Weinig emotionele uiting
In het liefdesmodel dat deze volwassenen hebben geërfd draait veel om praktisch voorzien in wat nodig is. Dat uit zich in daden: zorgen dat het huis draaiende blijft, behoeften vervullen of financiële steun geven. Enkele concrete voorbeelden van hoe volwassen kinderen die liefde tonen zijn:
- het nakijken of iets in huis gerepareerd moet worden,
- het sturen van een cadeaubon,
- het aanbieden om rekeningen te regelen,
- of geld sturen als dat nodig is.
Rustig samen zitten en gewoon emotioneel aanwezig zijn voelt voor velen vreemd, omdat ze dat nooit als liefde hebben herkend. Het idee dat samen zijn zonder doel of prestatie op zich al waarde heeft, kan daardoor als ongewoon overkomen.
Wat hechtingstheorie hierover zegt
Om dit patroon te begrijpen kun je terugkijken naar het onderzoek naar hechting. John Bowlby introduceerde het begrip “interne werkmodellen” (mentale en emotionele sjablonen die verwachtingen over relaties vormen), die blijven ook later in het volwassen leven doorwerken. Mary Ainsworth bouwde daarop voort en onderzoekers als Van IJzendoorn, Obegi, Morrison en Shaver onderzochten verder hoe hechting van generatie op generatie wordt doorgegeven. De meta-analyse van Van IJzendoorn liet zien dat 75% van de hechtingspatronen tussen moeders en zuigelingen overeenkwam.
Vermijdend gedrag ten opzichte van emotionele nabijheid kan worden verklaard door een vermijdende hechtingsstijl. Mensen met zo’n stijl lijken misschien minder gehecht aan intieme banden en vermijden afhankelijkheid, maar fysiologisch reageren ze even heftig als veilig gehechte personen bij scheiding of dreiging. Dat suggereert dat vermijdende mensen hun stressreacties onderdrukken, ondanks dat hun lichaam wel opgewonden raakt.
Gevolgen voor relaties tussen generaties
Hechtingspatronen worden generatie na generatie overgedragen via die interne werkmodellen. Het gaat niet per se om verwaarlozing of mishandeling, maar om de emotionele manieren die worden voorgeleefd, beloond of juist afwezig zijn. Vooral in moeder-dochteronderzoek blijkt dat ongemak bij nabijheid niet zomaar een generatie overslaat, het wordt steeds weer doorgegeven.
In veel gezinnen handelen zowel ouders als kinderen volgens een geërfd sjabloon van liefde. Het herkennen van die patronen kan helpen om langzaam (en onvolmaakt) een nieuwe manier van liefhebben te ontwikkelen, die verder gaat dan alleen voorzien in praktische behoeften en meer ruimte geeft voor aanwezig zijn in het moment.
Er zit wel een valkuil in het simpelweg afdwingen van bezoekjes zonder dat er een gedeelde woordenschat is voor emotionele aanwezigheid: dat kan leiden tot ongemakkelijke bijeenkomsten zonder noemenswaardige inhoud.
Dit besef is van belang voor zowel oudere als jongere generaties: het gaat niet alleen om het vaststellen van wie emotioneel beschikbaar is, maar om een gezamenlijke poging om de liefdestaal uit te breiden, een manier van geven die meer omvat dan alleen zorgen of financiële steun.